Skip to content

Gebed voor de eenheid

‘Dat wy de romte biede, de geast fan goederbêst. Dat dan ús leave ierde, it faaie liif noch rêdt’.
Zo wordt op indringende wijze het slotlied van Huub Oosterhuis in de bundel Tussentijds) door Eppie Dam vertaald. ‘Dat in ons wordt herschapen, de Geest die overleeft. Dat onze lieve aarde nog kans op redding heeft’. (Lied 217 in deze aanvulling op het vorige liedboek).

Onze kerkelijke wereld bevindt zich in een overgangsfase, tenminste in ons eigen land. Veel van de van oudsher gevestigde kerken verliezen leden en daarmee aan invloed.
Daarentegen blijken zowel migrantenkerken als sommige evangelische groeperingen tegen de klippen op te groeien. Ook de oecumenische beweging ziet zich geconfronteerd met vergrijzing aan de ene kant. Maar daar staat weer tegenover dat op verschillende plekken in ons land de kerk opnieuw lijkt te worden uitgevonden.

Oecumene, dat is de gehele kerk voor de gehele wereld.
‘Waar het Woord verkondigd wordt, het heil gevierd. Daar waar de gemeenschap geoefend wordt en de dienst aan God gestalte krijgt, daar klopt het hart van de kerk’.
Aldus prof. G.D.J. Dingemans in zijn boek: Een huis om in te wonen (Boekencentrum, 1987).
Dat er verschillen zijn is logisch. Mensen verschillen nou eenmaal van elkaar in inzicht en in karakter, in afkomst en in geaardheid. Dat is een gegeven of beter: dat wórdt ons gegeven.
We hebben elkaar daarom te aanvaarden als een geschenk van God, we zijn elkaars tegenover

Wij bevinden ons in de jaarlijkse week van gebed voor de eenheid, die dit jaar van 20 tot 27 janauri wordt gehouden. Met deze keer als thema: recht voor ogen. Omdat het God uiteindelijk om die ene wereld gaat. De begeleidende brochure bij deze gebedsweek opent met een gedicht of eigenlijk meer een geloofsbelijdenis, uit Indonesië.

Ik geloof in God, die liefde is en die de aarde heeft toevertrouwd aan alle mensen.
Ik geloof in Jezus Christus, die gekomen is om heel te maken
en om ons te bevrijden van alle onderdrukking.
Ik geloof in de Geest van God, die werkt in en door allen, die zich toekeren naar de waarheid.
Ik geloof in de belofte van God, dat Hij uiteindelijk zal vernietigen
de macht van de zonde in ons allen.
En dat Hij op zal richten het rijk van gerechtigheid en vrede
voor de hele mensheid.

Kortom, we hebben elkaar nodig. Als gelovigen, komende uit verschillende tradities en als mens, door dezelfde God geschapen.

Soms wordt de oecumenische beweging wel eens met een pelgrimstocht vergeleken.
Zoals die beide mannen, twee dolende leerlingen van Jezus op weg naar Emmaüs (Lucas 24).
Die op hun zoektocht, buiten de muren van de kerk, onverwacht de Levende ontmoeten.
Sta er maar open voor, ook in het nieuwe jaar. Met een open hart en open ogen.
Wij hopen en bidden, dat ook na deze week van gebed, onze zoektocht naar de A(a)nder, al dan niet met een hoofdletter geschreven, opnieuw vrucht mag dragen. Samen hoopgevend present zijn in de samenleving. Dat is wat ons te doen staat in het nieuwe jaar.

Pastor B. van Brug

Gepubliceerd in De Kern, 25 januari 2019

Een volk dat leeft bouwt aan zijn toekomst

Het gaat berg op en berg af in het Matteüs evangelie, het 1e boek van het Nieuwe Testament, het tweede hoofddeel van de Bijbel. Met aan het begin, vanaf hoofdstuk 5, de zogenaamde bergrede waar Jezus de spelregels aan zijn leerlingen uitlegt. En aan het eind - opnieuw vanaf de berg - in hoofdstuk 28 worden diezelfde leerlingen erop uit gestuurd de wereld in. Dat is dan ook een terugkerend thema in de Bijbel. Zoals dat Mozes ooit - tijdens de Exodus, de uittocht uit Egypte van het Joodse volk - overkwam op de berg Sinai in de woestijn.
De berg is kennelijk de plek – in de beleving van de Bijbelschrijvers – waar je Gód kunt vinden, waar je iets van God te zíen kunt krijgen. Of iets van Hem te hóren krijgt op zijn minst.

Het zijn turbulente tijden waarin wij ons bevinden. Voor sommigen een teken dat het einde nadert. De wereld loopt op zijn eind, hoor ik sommigen zeggen.
Anderen zijn bang dat het de eerste voortekenen zijn van een nieuwe wereldoorlog. Vaststaat wel dat de wereld op drift lijkt te zijn geraakt.
Dat alles en iedereen op zoek is naar een nieuwe identiteit, die we kennelijk zijn kwijtgeraakt.
Angstbeelden over en weer versterken het vijandsdenken tussen West en Oost. Fundamentalisten en extremisten aan beide zijden bevestigen dat beeld. Door steeds weer nieuwe dreigementen te uiten en aanslagen te plegen die 1000en weerloze slachtoffers eisen.

Geen wonder dat dit wat met een mens doet en dat dit een grote invloed heeft op ons wereldbeeld en op ons vertrouwen in de toekomst. Een invloed die ook onder ons te merken is, tot ín de kerk. Ook daar hou ik de mensen regelmatig een spiegel voor. Geloven wij nog, gelooft u, geloof jij nog dat het anders kan in de wereld, dat mensen anders met elkaar om kunnen gaan? Dat je problemen niet alleen moet benoemen maar dat je er ook wat aan kunt doen?
Dat mensen meer dan ooit moeten leren samen te werken. Om zaken die niet deugen, klein of groot, zo mogelijk samen op te lossen. Is dat het ook waar wij voor gaan?

‘Een volk dat leeft bouwt aan zijn toekomst’, staat er op het monument op de afsluitdijk.
Een kunstmatige verbinding tussen Friesland en Noord Holland, die bijna 85 jaar geleden werd voltooid: 15 miljoen m3 klei – 27 miljoen m3 zand waren daarvoor nodig, maar bovenal gigantisch veel menskracht om in amper vier jaar tijd een meesterwerk van formaat te leveren – zeker voor die tijd.
Maar ze pakten het werk voortvarend aan, zo staat in een nieuwsbericht uit die tijd te lezen.
Wanneer een volk, een samenleving, een kerk niet meer in zichzelf gelooft. Geen geloof, dat is vertrouwen meer in zijn eigen toekomst heeft, dan hou je alleen maar pessimisten over, meelopers die exact kunnen aangeven wat er allemaal mis is, wat er níet deugt vooral. Zonder zelf de geringste moeite te doen om daar iets aan te veranderen.

Er ligt weer een heel nieuw jaar voor ons.
Ook als kerk hebben wij het nog aangedurfd om te verbouwen. Hoewel een gestage terugloop van het aantal actieve leden ook onze gemeenschap niet voorbij gaat.
Maar, met een knipoog naar het monument op de Afsluitdijk kun je ook daarover zeggen:
‘Een kerk die leeft bouwt aan zijn toekomst’, want zo is het wel.
Zonder geloof vaart niemand wel.

Ik roep een ieder dan ook op om zich voor een betere samenleving in zetten. In het klein, de eigen buurt of wijk en in het groot. Om werk te maken van de hoop, van je geloof en van de liefde bovenal. Veel heil en zegen daarbij toegewenst.

Pastor Bouke van Brug
Protestantse wijkgemeente Heerenveen-Zuid
vanbrug@upcmail.nl


(Gepubliceerd in het Skoatter Doarpsnijs van januari 2019)

Er valt wat te beleven tussen votum en zegen (2)

De Schriften blijven gesloten, wanneer we niet aangeraakt worden door de Geest’, schreef collega Bloemendaal in zijn bijdrage voor deze rubriek in de vorige Kern.
Daarom bidden wij steevast aan het begin van de Dienst van het Woord om de verlichting van de Heilige Geest, voordat de Bijbel opengaat.
Voor menige kerkganger is dat de belangrijkste reden om naar de kerk te gaan op zondag.
Een voorganger werd vaak een dienaar des Woords genoemd. Dat gebeurt nog wel trouwens. Verbi Divini Minister (VDM) in het Latijn. Vooral na de Reformatie werd hier alle nadruk op gelegd, op de uitleg van het Woord. Daar was (of is?) de studie theologie vooral op gericht.

Soms wordt dit onderdeel van de eredienst vooraf gegaan door een groet, zoals: ‘De HEER zal bij u zijn’, door de voorganger, waarop de gemeente antwoordt met: ‘De HEER zal u bewaren’. Da’s mooi, om elkaar als voorganger en gemeente op die manier te begroeten.
Om in alle openheid samen te luisteren naar Gods stem, met de gemeenschappelijke intentie om daar ook samen antwoord op te geven.
Wat de doorgaande (evangelie) lezing betreft volgen wij in onze kring in de regel het zg. oecumenisch leesrooster. Ook de kindernevendienst methode ‘Kind op Zondag’ sluit zich hier doorgaans bij aan. Voor een eventuele tweede Bijbellezing, bv. uit het 1e Testament of uit één van de brieven maakt de voorganger in ons geval meestal zijn eigen keuzes.

Het daadwerkelijke lezen van de Schrift of het vóórlezen, dat is beter, omdat de Bijbel in wezen geen lees- maar een vóórleesboek is. Oude verhalen moeten tot klinken komen.
Wie leest, leze dus goed. Dat vraagt om een gedegen voorbereiding. Bij ons gebeurt dat door een zogenaamde lector. Zoals dat eerder ook al in Joodse eredienst gebeurde.
Zelf probeer ik bij de keuze van de lezingen zo veel mogelijk Schrift met Schrift te vergelijken. Een beproefde methode om de Bijbel uit te leggen. Immers zonder het 1e Testament (ook wel Oude Testament genoemd, om het onderscheid aan te geven met het Nieuwe), maar zonder dat komt het 2e Testament in de lucht te hangen. En zonder het 2e Testament (of Nieuwe dus) gaan wij voorbij aan het verhaal van de Levende, aan wie wij ons bestaan te danken hebben als Kerk.
Een (in) spannende bezigheid. Vooral de uitleg die op de lezingen volgt. De preek of de overdenking of de verkondiging, zoals ik het meestal noem. Omdat het naar mijn idee vooral gaat om het verkondigen van het goede nieuws en het appèl dat daarvan uit mag gaan.
Of dat bij ons altijd wel het geval is?

“Wat is volgens jullie nou een goede preek?”, vroeg de dominee eens aan zijn catechisanten.
‘Een korte’ antwoordde de één lachend, ‘die iedereen begrijpt’ vulde een ander aan.
‘Het moet vooral over de Bijbel gaan’ volgens een derde, ‘nee vooral over het leven nu’ verbeterde de volgende hem. ‘In een preek moet iets nieuws zitten, iets wat ik nog niet wist’ aldus de slimste van het stel, waarop een ander meende, dat ‘een preek vooral over Jezus moest gaan’.
Toen iedereen het zaaltje verlaten had en de vermoeide predikant een beetje verslagen achter liet, klopte er nog meisje bij hem aan en zei: “Ik heb zo pas niks gezegd dominee, maar ik wil nog even zeggen dat u zondag een mooie preek had”. “O, wat vond je er dan zo mooi aan?”.
“Nou het sprak mij gewoon erg aan. Het was net of het over mijzelf ging. Toen u de Bijbel uitlegde, was het net of ik God tegen mij hoorde praten.
En eh… daar gaat het toch uiteindelijk om, hè dominee?”

Pastor Bouke van Brug


(Dit is mijn 2e artikel in een serie van vier met bovengenoemde titel)

Er valt wat te beleven tussen votum en zegen

‘Hoe sprong mijn hart hoog op in mij, toen men mij zeide:
gort u aan, om naar des Heren huis te gaan!’ (Psalm 122)

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar het lijkt mij sterk dat de meesten van ons op een doorsnee zondagmorgen vrolijk wakker worden met de gedachte: ‘hoera, het is weer kerk vandaag!’.
En toch, de wekelijkse samenkomst van de gemeente van Christus op de eerste dag van de week, een dag die al vanaf het begin van de kerk als de dag van de opstanding wordt gevierd, die dag is voor velen nog altijd het hart van het christelijk geloof, zelfs van de kerk. De kerk als een gemeenschap van mannen en vrouwen, jong en oud, welgesteld of geen cent te makken, hoogopgeleid of wat eenvoudiger van geest. We zijn nl. aan elkaar gegeven, niet omdat wij elkaar hebben uitgekozen, maar omdat wij ons geroepen weten getuigen van Gods Geest te zijn. Daartoe komen wij op zondag bij elkaar. Om ons geloof met elkaar te delen, om te leren, te vieren en om te aanbidden. Of zoals een ander lied uit ons mooie liedboek het zegt:

‘Zolang wij ademhalen, schept Gij in ons de kracht
om zingend te vertalen waartoe wij zijn gedacht’ (Lied 657).

Daarom dus, lang leve de kerk!
Maar hoe ziet zo’n samenkomst van de gemeente er dan uit?
Wat vieren wij dan met elkaar in de kerk of tijdens een kerkdienst op zondag?
Of eredienst, zoals de wekelijkse viering ook wel wordt genoemd.

Omdat dat niet voor iedereen meer altijd even duidelijk is hebben collega Bloemendaal en ik, in overleg met onze eigen werkgroep eredienst, besloten om daar de komende weken een paar artikeltjes aan te wijden in de Kern.
Ik bijt vandaag de spits af, met een eerste verkenning. En die gaat over de voorbereiding. Een voorbereiding die thuis dus al begint.
Van de dienstdoende voorganger mag je verwachten dat die zich er goed op voorbereidt.
Dat geldt ook voor de koster, die zorgt voor een gastvrij en warm onthaal. De organist, die de samenzang begeleidt, de leiding van de kindernevendienst en tienerkerk en van degene die de beamer bedient. Een goede voorbereiding onderstreept het hogere doel van de zondagse eredienst. Maar hoe zit je er zelf? Wat neem je mee aan emoties, sores en zorgen, verdriet en dingen waar je dankbaar voor bent? Wees je ervan bewust en deel ze van te voren ook zelf, thuis in een persoonlijk of in een gezamenlijk gebed. En bid daarbij voor een goede dienst!

Laat je vervolgens, eenmaal aangekomen bij de kerk, verrassen door de dingen die komen.
De ontmoeting met medegelovigen, in de prachtig vernieuwde en sterk uitgebreide nieuwe ontmoetingsruimte bij de kerk, het zingen vooraf aan de dienst ‘om er alvast in te komen’.
Totdat de vertegenwoordiging van de kerkenraad aantreedt, die zich intussen ook al biddend had voorbereid. Nadat een aantal dienstmededelingen en afkondigingen zijn gedaan begint vervolgens de eigenlijke eredienst. Met een handdruk, waarmee de kerkenraad symbolisch de volle verantwoordelijkheid neemt voor alles wat er zich verder voltrekt in deze dienst.
Een goede voorganger is zich daar terdege van bewust.
Daarna gaat de gemeente staan voor het zingen van het zogenaamde intochtslied.
Waarmee de intocht van de Aanwezige God wordt beleden en gevierd.
Meer daarover en wat er verder volgt tijdens de kerkdienst schrijft collega Bloemendaal in de volgende Kern.

Pastor Bouke van Brug

(Gepubliceerd in De Kern, 23 november 2018)

Gebrek aan kennis

‘Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis’. (Hosea 4:6)
Dat is Bijbelse taal, geloofstaal van Israël volgens de vorige Bijbelvertaling (NBG 1953).
Taal die zich niet altijd even gemakkelijk laat uitleggen. Kennen en kennen is namelijk twee. Onze zogenaamde kennis is heel wat anders dan wat de Bijbel schrijver ermee bedoelt. In de nieuwe Bijbelvertaling (NBV 2014) staat dan ook: ‘Mijn volk komt om doordat het met Mij niet vertrouwd is’. Dat is meer in de lijn van wat er staat, van wat ermee bedoeld wordt.

De profeet Hosea leefde en werkte ten tijde van koning Jerobeam II van Israël (783-743 voor Chr.). Een vrij lange regeerperiode, waarin het land tot grote bloei kon komen. Hij herstelde de landsgrenzen, zoals die in de tijd van David waren geweest (nog altijd een oud verlangen bij sommigen in Israël). Hij zorgde voor een ongekende welvaart in het land, met alle gevolgen van dien voor het eigen godsdienstige leven. Door de toenemende handel en daarmee gepaard gaande invloeden van andere culturen, werd de eigen Joodse godsdienst van binnenuit bedreigd. Baäl, de god van de héb, de god van het kapitaal zeg maar, van het materialisme, de god van het persoonlijk genot werd naast de God van het verbond met Israël, als een gelijkwaardige god aanbeden. Dat raakt Hosea diep, hij lijdt eronder, zoals je dat van een oprechte profeet verwachten mag.
Een volk komt om wanneer het met de omgang met God niet (meer) vertrouwd is, is zijn conclusie, dat is zijn oordeel over zijn eigen volk. En dat doet hem pijn. De grootste bedreiging voor zijn volk, komt volgens Hosea dan ook niet van buiten maar van binnenuit.

Vallen zijn woorden nog wel uit te leggen, zijn ze ook van toepassing op onze maatschappij?
Het is Bijbelse taal, ik weet het, taal van een oud volk, geloofstaal uit een ver verleden, jawel.
Je moet er daarom altijd voorzichtig mee zijn om al te vlot een actuele toepassing te maken. Bijbelwoorden laten zich niet altijd zo eenvoudig uitleggen, al beweren sommingen van wel.
En wat Hosea 4 betreft: kennen en kennen is inderdaad twee!

Ons kennen heeft veelal betrekking op informatie, heeft te maken met ons redelijke verstand, met dingen doorzien en begrijpen. Door studie voor mijn part, achter de waarheid zien te komen. Het Bijbelse kennen is echter veel meer dan dat. Het veronderstelt een ontmoeting, een persoonlijke relatie, ervaringskennis dus en die is subjectief van aard.
Aan objectieve kennis geen gebrek. Er is nog nooit een tijd geweest waarin je zo eenvoudig aan alle gewenste informatie kunt komen, waarmee we al het tastbare proberen te vangen.
Maar wat je bv. niet via het ‘World Wide Web‘ (www) te weten kunt komen, dat is de kennis van Gód, dat wil zeggen het persoonlijk ervaren van Zijn liefde en trouw, het gespitst zijn op Zijn daden, horen naar Zijn Woord, kortom zelf de Levende daadwerkelijk ontmoeten.

Afgelopen zondag, 15 juli zongen wij als afsluiting van de dienst in de Sionskerk, lied 689 uit de bundel van Johannes de Heer: ‘Wij hebben een machtige Heiland, die nimmer de zijnen vergeet. Laat ons van Zijn goedheid niet zwijgen, zorg toch dat ieder het weet’. Dat is per slot van rekening ook de boodschap van de kerk. De gemeente van Jezus Christus, die weet heeft van een liefdevolle God, die ons de mogelijkheid gegeven heeft om Hem van binnenuit te leren kennen. Zo’n gemeente heeft wel degelijk een boodschap voor de eigen samenleving. Als noodzakelijk tegengif in een eenzijdig op productie en consumptie gerichte maatschappij. Of komt de grootste bedreiging van de kerk misschien opnieuw van binnenuit?

(Gepubliceerd in De Kern, 20 juli 2018)

Pinksteren – Open Kerk

Anna zat voor het slapen gaan met haar moeder op de rand van het bed. Ze vertelt wat er die dag gebeurd is op school en dat de juf vertelde dat God er altijd was. Dat vraagt Anna zich af. Hoe kan dat nu? “Is Hij dan ook hier, nu op mijn kamer?”. Dat vindt haar moeder een lastige vraag.
“Eh, dat geloof ik wel ja”. ‘Maar ik kan Hem niet zien, hoe weet ik dan dat het zo is?”. Moeder denkt even na en zegt dan: “Kom, we doen een spelletje. Laten we het aanrakertje noemen. Raak eerst mijn armen maar eens aan”. Anna doet het?
“En dan nu mijn kin, dan mijn schouders, daarna mijn hoofd en dan nog mijn hart”.
Anna legt haar kleine handje op de borst van haar moeder. En tenslotte zegt ze: “Nu moet je mijn liefde proberen aan te raken”. Anna aarzelt en dan raakt ze opnieuw de armen en de borst van haar moeder aan. “Maar dat heb je net toch ook al gedaan?”. “Ja maar”, zucht Anna, “Hoe moet ik de liefde aanraken? Die is er toch gewoon?”. Moeder glimlacht. “Goed zo, ik denk dat het ook zo is met God”.

‘Vindplaatsen van hoop’ worden ze wel genoemd. Nieuwe initiatieven op de rand van en soms ver buiten de kerk. In al hun verscheidenheid en diversiteit laten ze iets zien van de veerkracht van het geloof. En van de vindingrijkheid van gelovigen, waarmee zij onbedoeld soms de basis legden voor nieuwe vormen van kerk zijn daarna. Wij constateren dat ook. Ikzelf doe dat al jaren. Tegen alle onderzoeksrapporten in. Ondanks een teruglopend kerkbezoek, ook bij ons, zien wij een groeiend verlangen, een behoefte aan spiritualiteit, nieuwe bezieling, gedrevenheid van binnenuit. Daar kan geen kerkelijke regelgeving tegenop.

Eigenlijk weet niemand wat er precies gebeurde, daar in die bovenzaal in Jeruzalem, vijftig dagen na Pasen. Toen Jezus zich, drie dagen na zijn dood aan het kruis, weer aan zijn leerlingen had laten zien. Maar de gevolgen waren wel zichtbaar en hoorbaar voor iedereen. In het Bijbelboek ‘Handelingen van de apostelen’ wordt er over verteld.
De omstanders hoorden een geluid ‘alsof er een hevige wind opstak’ en ze zagen iets ‘dat leek op vlammetjes’, die zich over de hoofden van de gelovigen verspreiden.

Het woord Pinksteren is trouwens afgeleid van het Griekse woord ‘pentakosta’, dat vijftig betekent. Vijftig dagen na Pasen dus blijken de leerlingen van Jezus in beweging gezet te worden. Door God, door Jezus misschien?

Toen een tijdje geleden in een interview aan de nieuwe minister van Financiën Wopke Hoekstra werd gevraagd of hij in God geloofde, antwoordde hij: “Ik hoop het”. Is geloven veel meer dan dat?

Nee, eigenlijk weet niemand precies wat er gebeurde toen, zo’n 2000 jaar terug op de 1e Pinksterdag. Maar het veranderde schuchtere geloofsleerlingen wel in vrijmoedige apostelen (d.i. ‘gezondenen’). Waardoor het werk van God, dat eerder door Jezus was ingezet, werd doorgezet in de ‘Handelingen’ dus van de apostelen.

Pinksteren is nog altijd het feest van de Geest. De Geest van God, die inspiratie geeft aan mensen, die van goede wille zijn, in navolging van Jezus. Mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, die handen en voeten willen geven aan de liefde van God. Dat is waarop ik hoop!

Evenals voorgaande jaren is de Sionskerk open tijdens de Skoattermerke op de 2e Pinksterdag. Open voor bezichtiging, voor stilte en voor bezinning. Of om gewoon te genieten van de creatieve uitingen van geloof en van hoop, gemaakt door de leden van de werkgroep Geloof en Creativiteit van onze gemeente.

De kerk als plek om op adem te komen, dat willen wij zijn. Een vindplaats van hoop te midden van de hectiek van het leven en tijdens de Pinkstermarkt. Laat je dan ook verrassen door de muziek op het orgel of door de mooie beelden op de beamer, ieder heel uur. Er zijn gastvrouwen en gastheren aanwezig om vragen te beantwoorden en om u of om jou te verwelkomen.

(Gepubliceerd in het Skoatter Doarpsnijs van mei 2018)

Seksueel misbruik

‘Seks is niets anders dan macht’, riep zij geëmotioneerd en diep verbitterd uit.
Ik raakte met haar in gesprek, een jonge vrouw nog, alweer een tijdje geleden. Ze was geen lid meer van de kerk. Ik was even stil. Geschrokken van haar reactie. Wat dáár niet allemaal achter zat.
‘Hoe bedoel je?’ probeerde ik heel voorzichtig. En toen kwamen de verhalen, van koning David tot Donald Trump en van Harvey Weinstein tot Tamar, die door Juda wordt verkracht.
En ook verhalen over verkrachtingen op de oorlogsvelden nu tot aan het seksueel misbruik door hulpverleners NB. Ja zelfs in de kerk komt het helaas voor.
En ze had gewoon gelijk, wat een ellende heeft seksualiteit niet allemaal voortgebracht.
Wat door de Schepper zelf als het meest verhevene, het meest intieme tussen twee geliefden, die niets voor elkaar te vrezen hebben, bedacht is, wordt maar al te vaak misbruikt om de ander de eigen wil op te leggen.
Of om de eigen innerlijke leegte en persoonlijke frustratie te verbloemen met iets wat voor liefde door moet gaan, maar het gewoon niet is.
‘De liefde zoekt zichzelf niet, zij is niet grof en niet zelfzuchtig’, zo lees ik in de Bijbel. Kom er eens om, in de praktijk.

De laatste jaren komen er steeds vaker berichten naar buiten over seksueel misbruik binnen de wereld van de showbizz, maar ook binnen de hulpverlening dus. Aangewakkerd door de hasjtag #Metoo op Twitter en andere sociale media die in oktober 2017 viraal (als een lopend vuurtje) ging. Wie #MeToo plaatst, geeft daarmee aan met seksuele intimidatie of aanranding te maken hebben gehad.

De schrik slaat je om het hart, bij het horen van al die verhalen. Dat het voorkomt, dat wisten we, maar dat het zó erg was. Overal waar van een afhankelijkheidsrelatie sprake is, daar ligt kennelijk seksueel misbruik op de loer. Laten we dat niet te licht opvatten. Het is gewoon verschrikkelijk! Want echte liefde zoekt zichzelf niet.
De ander is er niet om jou te plezieren, het werkt eerder andersom. Daarvan wil ik getuigen, ook binnen mijn werk, maar wel met het schaamrood op de kaken soms, met plaatsvervangende schaamte voor wat ook de kerk in het verleden en misschien nóg mensen aandoet of heeft gedaan.

Natuurlijk, tallozen proberen van Góds liefde te getuigen, met woord en daad. Door mensen een gevoel van geborgenheid te geven, ze daardoor innerlijk sterker en weerbaarder te maken. Niemand heeft namelijk het recht om over het lichaam van een ander te beschikken.
Je bent in wézen vrij, als mens! De Bijbel windt daar geen doekjes om, God staat eerder aan de kant van de slachtoffers, dan aan de kant van de daders. ’t Is maar dat je het weet!
Daarom is het goed als daders worden aangeklaagd en dat slachtoffers op onze hulp en op bescherming mogen rekenen, óók of beter voorál vanuit de kerk.
Omdat de enige macht die de kerk toekomt de macht van de liefde is. In alle bescheidenheid en eenvoud weliswaar, maar tóch. Met heilzame woorden en door middel van daden die voor zichzelf spreken. Daar wordt, als het goed is, niemand slechter van.

Op de website van onze gemeente: www.protestantsegemeenteheerenveen.nl vindt u meer informatie onder de zoekterm ‘grensoverschrijdend gedrag’. Ook kom je daar de namen en e-mailadressen tegen van de beide vertrouwenspersonen die namens ons zijn aangesteld.

(Gepubliceerd in 'De Kern' 13 april 2018)

Alles is politiek, maar politiek is ook niet alles.

Zou Jezus zich meer in het linkse of in het rechtse kamp van de politiek thuis voelen? Waar zou Hij 21 maart op stemmen?
Wie de boodschap van de Bijbel serieus neemt, dat wil zeggen, opkomt voor het milieu, zich om Gods goede schepping bekommert, opkomt voor de zwakkeren in de samenleving, voor de chronisch zieken en voor de kansarmen, die wordt al gauw voor links versleten.
Terwijl, wie diezelfde Bijbelse barmhartigheid vertaalt in de bescherming van het ongeboren kind, opkomt voor het gezin en voor een duurzame liefdesrelatie, die wordt door sommigen als rechts gezien. Links zou dan staan voor progressief, het wordt gelinkt aan maatschappelijke vooruitgang en aan verandering. Terwijl rechts dan zou staan voor conservatief, voor behoudend en voor het opkomen voor de eigen belangen. Maar is dat terecht?

Daarover gaat het in de politiek.
Een woord dat is afgeleid van het Griekse ‘politikos’, dat is ‘wat de burger betreft’. Het is ook verwant aan het woord ‘polis’, de Griekse stadsstaat in de oudheid. Politiek gaat dus over de welbewuste vormgeving, door de burgers, van de samenleving. Christelijke politiek laat zich daarbij, als het goed is, leiden door de boodschap van de Bijbel, zoals die vorm gekregen heeft in het leven van Jezus. Maar ja, wij leven inmiddels wel 2000 jaar later. De vragen van toen zijn niet meer de onze en andersom, niet altijd zijn de antwoorden van toen één op één toepasbaar bij de problemen waar wij nu mee kampen. Maar duidelijk is voor mij wel, dat iedere zichzelf respecterende geloofsgemeenschap, zich met de politiek moet blijven bemoeien.
Wanneer bv. de kansarmen niet meer worden opgemerkt, de zwakkeren niet meer worden gehoord en hulpbehoevenden vergeten worden.
Wanneer het milieu wordt bedreigd en de solidariteit tussen rijk en arm wordt verstoord. Of wanneer de vereenzaming hand over hand toeneemt, onder ouderen én jongeren.
Dan zal de kerk ook nu van zich moeten laten horen. Zoals de profeten dat destijds deden in de geschiedenis van Israël en zoals Jezus dat dus deed in zijn tijd.

Wat dus niet wil zeggen dat de kerk per definitie links is of rechts. De kerk is eerder dwars, omdat zij weet heeft van een ander rijk, een andere samenleving, zoals die God voor ogen staat.
Dat is het andere verhaal, het verhaal van Gód met mensen. En juist dat andere verhaal is de belangrijkste reden van ons bestaan.

Daarom, alles is politiek, maar politiek is wat ons betreft niet alles.
Een kerk die volledig opgaat in de politiek, daar te nauw bij betrokken is, die gaat erin ten onder. Of die wordt zelf een onderdeel van de macht. Maar aan de andere kant, wanneer de politiek geen boodschap meer heeft aan Gods verhaal, dat doet zij niet alleen zichzelf tekort, maar ook haar burgers.
De bekende Zuid-Afrikaanse predikant en strijder tegen de apartheid, Alan Boesak, zei het ooit nog scherper: ‘Een regering die de kerk aan het kruis nagelt, die zal zelf omvergeworpen worden door de opstanding’.

Ik ga dus stemmen op 21 maart, u ook?
Stemmen voor een barmhartige rechtvaardige samenleving, waarin een ieder tot zijn recht mag komen, klein of groot, kansrijk of kansarm, zwak of sterk, ziek of gezond. Hier geboren of van elders hier naar toe gekomen. Opdat er ook onder ons iets van Gods toekomst zichtbaar wordt.

(Geplaatst in het Skoatter Doarpsnijs van maart 2019)

Bijna goddelijk

De volgende anekdote speelde zich af, kort voor een trouwdienst, in het voorportaal van de kerk.
De dominee stond, samen met het bruidspaar, te wachten tot ze naar binnen mochten.
Om de tijd te doden of om de spanning te breken, zei hij tegen de bruid: “Wat zie je er prachtig uit”. Waarop de bruidegom uitriep: “Prachtig? Ze lijkt wel God zélf.” “Nou, dan wens ik je veel sterkte”, was de verbouwereerde reactie van de voorganger. Of het bruidspaar lang en gelukkig getrouwd is, dat vertelt het verhaal niet.
Maar hij zal er nog wel achter zijn gekomen, dat ook zijn vrouw een doodgewoon mensenkind is.

In het eeuwenoude Joodse liedboek, waaruit ook in de kerk nog gezongen wordt, de Psalmen genaamd, om precies te zijn in Psalm 8 lees ik: ‘Heer, onze Heer, hoe machtig is Uw naam op heel deze aarde. Wat is (daarbij vergeleken) de mens dat U aan hem denkt, het mensenkind dat U naar hem omziet. Toch hebt U hem bijna een god gemaakt’. Weet de dichter van deze Psalm, die David wordt genoemd, dan niet waarover hij het heeft?
Bijna goddelijk? Hoezo?

“Mijn vrouw is een engel”, aldus Sam in één van de bekende Joodse grappen van Max Tailleur. Waarop zijn eeuwige tegenspeler Moos antwoordt: “Gelukkig leeft de mijne nog”. Dat bedoel ik maar, je moet niet overdrijven. Bijna goddelijk, maar hoe goddelijk is dat? En wat is bijna? Zo goed als of bij lange na niet?

Ovidius, een Romeinse dichter, vertelt een verhaal over Icarus, die op het eiland Kreta gevangen zit.
Om te kunnen vluchten maakt zijn vader vleugels voor hem, gemaakt van was en van veren. Zodat hij het eiland vliegend zal kunnen verlaten. “Maar”, zo geeft hij hem als waarschuwing mee: “Vlieg niet te laag, zodat je vleugels door het water te zwaar worden en vlieg niet te hoog, zodat de was door de zon zal gaan smelten”.
Maar Icarus geniet zo van zijn vrijheid, waardoor hij steeds hoger en hoger gaat, met als gevolg, dat zijn vleugels inderdaad smelten en hij neerstort in de zee.
Moraal van het verhaal: waar het een mens in de bol geslagen is, waar een mens in zijn eigen overmoed meent als God te zijn, overschrijdt hij de grenzen van zijn broze bestaan en gaat hij aan zijn eigen hoogmoed te gronde.

Bijna goddelijk ja, maar dat is wat anders dan als God zijn. Daar ligt meteen de uitdaging én de grens van onze eigen menselijke mogelijkheden. Het is ons inderdaad gegeven, te heersen over het bestaan. Om de aarde te onderwerpen, in cultuur te brengen naar eigen believen. Om de grenzen van het heelal te verkennen, met het leven te experimenten, al het mogelijke te onderzoeken. Je kunt die opdracht niet ruim genoeg opvatten.
Maar zodra wij ons daarbij als Godzelf gaan gedragen, dan gaan wij te ver.

Bijna goddelijk? Jawel, dat is wat de Bijbel zegt. Zo hoog worden wij door de Schepper aangeslagen.
Om te heersen over alles wat ons is toevertrouwd. Dat is feitelijk alles wat onze ogen zien en wat onze handen aanraken. Hij vertrouwt er blijkbaar op, dat de wereld bij ons in goede handen is.
Laten wij daar niet te gering over denken en dus ook nooit te gering denken over onszelf.

(Geplaatst in het Skoatter Doarpsnijs van januari 2018)

Heil en Zegen

Dat wensten wij elkaar aan het begin van het nieuwe jaar misschien wel toe.
Folle lok en seine, zo klinken diezelfde woorden in het Fries.
Anderen hielden het misschien bij ‘een gelukkig Nieuwjaar’ of ‘de beste wensen’ of zoiets.

Want je kunt niets zeker weten, want alles gaat voorbij.
Maar ik geloof, ik geloof, ik geloof, ik geloof, ik geloof in jou en mij.

Zo klonk kort daarvoor op de radio. Een nog altijd even indrukwekkend lied van Boudewijn de Groot. Dit jaar weliswaar gezakt van de 3e naar de 9e plek in Top 2000.
Een feest van herkenning, vijf dagen lang op Radio 2, tussen Kerst en Oud en Nieuw.
‘Maar het verleden geeft geen zekerheid’, zo voegt hij er in het tweede couplet aan toe.

Het Nederlandse woord zegenen komt van het Latijnse ‘signare’, dat is van een teken voorzien. Signeren zeggen wij, dat is ergens je handtekening onder zetten.
Heil en zegen is daarom inderdaad het beste dat wij elkaar toe kunnen wensen.
Omdat zegen in de Bijbel altijd met God te maken heeft.
Wat betekent dat de Eeuwige zelf Zijn handtekening onder jouw leven heeft gezet.
Zoals een ouderling van dienst aan het begin en einde van de eredienst door middel van een handdruk zich verantwoordelijk verklaart voor alles wat er vervolgens valt te beleven tussen ‘Votum en Zegen’ in de dienst.
Een goede voorganger is zich daar terdege van bewust.

Eén van de bekendste voorbeelden in de Bijbel van een gezegend mens is natuurlijk Abraham.
Een man die gezegend werd om zelf tot zegen te kunnen zijn voor anderen.
Het eerste is een voorwaarde voor het tweede, maar ook omgekeerd.
Wie zich niet verantwoordelijk voelt, wie zich niet in wil zetten, niet tot zegen wil zijn voor zijn of haar omgeving, die kan en zal Gods zegen snel vergeten.

‘Moge de Heer, dat is de altijd Aanwezige, moge Hij die er is u zegenen en u beschermen’. Zo staat het er in Numeri 6, vers 24. Dat is geen vrome wens, hopen op zomaar een gelukzalig gevoel. Maar een welbewust gekozen, gelovig uitgangspunt.
‘Moge de Heer het licht van zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn, moge de Heer u zijn gelaat toewenden en u vrede geven’. Aldus, voor de volledigheid, het hele Bijbelvers.
Dat wensen wij elkaar en ook onszelf, aan het begin van het nieuwe jaar, van harte toe.

Ja, maak het maar persoonlijk, dat hoop ik ook te doen.
Na een jaar, dat in velerlei opzicht niet altijd even gemakkelijk is geweest, voor mij ook niet.
Maar ik geloof, ik geloof, ik geloof, ik geloof, ik geloof… - en Hij in mij!
Elkaar in Góds naam zegenen, dat is elkaar het beste toewensen, dat is een beroep doen op Gods aanwezigheid, die in jou is. Met minder hoeven wij het waarachtig niet te doen.

(Meditatie in De Kern van 19 januari 2018)

De lofzang gaande houden

Het verhaal of eigenlijk de legende speelt zich af in de tijd dat de Tsaren in Rusland een waar schrikbewind voerden over de arme bevolkingsgroepen. Vooral de Joodse minderheid had het zwaar te verduren.
Tijdens de wekelijkse eredienst op de vrijdagavond in de synagoge, als voorbereiding op de Sabbat, vroeg de dienstdoende rabbi aan zijn medegelovigen hoe het met hen ging.
De verhalen kwamen los. Over de meest verschrikkelijke vervolgingen, ziekte, vernedering, beledigingen, de honger en de kou die ze moesten doorstaan.
De rabbi was hevig verontwaardigd, hij onderbrak de dienst en zei:
“Ik neem het niet langer! Ik roep G’d zelf (gezegend zij Zijn naam) ter verantwoording en zal de dienst pas weer hervatten, als ik een redelijk antwoord van Hem gekregen heb”.

Hij ging vervolgens zitten en zweeg. De gemeente wachtte in angstige spanning af.
Maar er gebeurde niets, de uren gingen voorbij. Zwijgend zaten zij tegenover elkaar.
Uiteindelijk ging de rabbi staan en zonder wat te zeggen beëindigde hij de dienst op de gebruikelijke wijze, d.w.z. met de woorden van het zogenaamde Kaddisj, de grote lofprijzing, waar de eredienst in de synagoge regelmatig mee wordt afgesloten:

Geprezen, geloofd en verheerlijkt, hoog verheven en geroemd.
Bezongen en aanbeden worde de Naam van de Heilige, geloofd zij Hij.
Boven alle zegenspreuken, liederen en lofzangen boven elke troost.
die wij elkaar ooit in deze wereld kunnen geven. Amen.

Moraal van het verhaal: je zult nooit antwoord krijgen op je vragen en op je verwijten, op je aanklachten tegenover God. Eigenlijk kunnen we Hem alleen maar loven en prijzen.
Maar hoe doe je dat in vredesnaam, zo vragen wij ons af. Hoe kon het volk, dat zoveel ellende, eeuw in eeuw uit heeft moeten doorstaan. Hoe konden zij, hoe kunnen wij onder de meest uitzichtloze omstandigheden God nog altijd prijzen? Is het niet veel gemakkelijker, eerlijker misschien en wellicht ook veel gezonder om in dat geval luidkeels te protesteren?

Wel… de lofprijzing in de Joodse eredienst, heeft daar ook wel iets van weg.
Vergelijkbaar met het zingen van protestliederen als het ware.
Het is de weigering je neer te leggen bij de situatie, zoals die die voordoet. Omdat het volgens de dichters van de Psalmen vooral, net als voor de profeten van Israël trouwens en ook volgens de evangelisten van het Nieuwe Testament gewoon niet kán. Het kán niet waar zijn dat God mensen moedwillig onderdrukt of laat onderdrukken of van de honger om laat komen. Dat kán en hoeft niet waar te zijn. Waarom dan niet?
Omdat God zo niet is! God is anders, absoluut anders dan dat wij zijn.
Zijn aanwezigheid is niet te rijmen met wat mensen elkaar in deze wereld aandoen.
En dat moet je dan ook niet proberen te doen.

Zal er in het nieuwe jaar meer van God zichtbaar worden? Meer dan in het afgelopen jaar?
Zullen wij meer van Hem gaan ervaren, meer kracht ontlenen aan ons geloof?
Dat hangt er dus van af. Waar van af, zegt U? Wel, van de keuzes die wij in Gods naam maken.

Met zonder Jezus

Jeroen zijn opa was overleden en dat vond hij heel erg. Zijn allergrootste vriend was plotseling uit zijn leven verdwenen.
Een paar dagen na de begrafenis liep hij stilletjes de tuin in. De plek waar hij zijn opa zo vaak had geholpen.
Hij pakte een veel te grote hark uit de schuur, rommelde daar wat onhandig mee in het achtertuintje en probeerde, net als opa altijd deed, daarmee het onkruid te wieden. Maar dat lukte niet al te best. Hij wist niet zo goed hoe dat moest. Dat kon zijn opa altijd veel beter.
Zijn vader die al een tijdje naar Jeroen had staan kijken, roept vanachter het keukenraam: “Hé Jeroen, nu lijk je precies op opa”. Een mooier compliment had hij Jeroen niet kunnen geven.

Wij zijn alweer bij de 40ste dag na Pasen aangeland. Beter bekend als de hemelvaart van Jezus.
Het zal niet voor niets zijn geweest dat de evangelist Lucas aan dat getal veertig heeft gedacht.
Om zijn verslag nog geloofwaardiger te maken, in elk geval voor Joodse oren.
Veertig dagen was Mozes immers op de berg, voordat hij God zag. Veertig dagen was Elia in de woestijn, voordat hij de Eeuwige ontmoette en veertig dagen werd ook Jezus beproefd, voordat Hij in Gods naam met zijn werk op aarde begon.

Ze moeten het voortaan zónder Hem doen, de leerlingen van Jezus.
Na alles wat zij hebben meegemaakt. Ze kunnen Hem niet meer aanraken, hun handen niet meer op zijn wonden leggen.
Niet meer met Hem praten, eten, luisteren, spreken. dat is allemaal voorbij.
Ze moeten nu leren geloven zonder een tastbare herinnering aan Hem. Gaat dat ze lukken?

Je kent het wel, in ieders leven zijn er van dat soort momenten.
Dat je je er opeens bewust van wordt dat je het voortaan zélf moet doen.
Alleen naar school, alleen op kamers, alleen verhuizen, bv. naar een verzorgingshuis. Alleen, zonder degene die je zo lief was of zonder hem of haar van wie je al langer was vervreemd. Gaat me dat lukken, zo vragen ook wij ons dan wel eens af.

Ook dát is hemelvaartsdag, het heeft ook met afscheid nemen te maken.
Van loslaten en van losgelaten worden, van volwassen worden en op eigen benen staan.
Denkend aan het onroerende verhaaltje van Jeroen en van zijn overleden grootvader, komt bij mij wel eens de vraag op:
als mensen óns zo bezig zien in de tuin van God, zeg maar. Bezig zien in de kerk of in de wereld om ons heen, zouden zij dan ook meteen aan Jezus denken?

Nee, Jezus is niet meer, niet meer lijfelijk bij ons aanwezig. Wij wel, als zijn getuigen op deze aarde.
Het is dan ook niet voor niets, dat Jezus’ hemelvaart de inleiding vormt van het Bijbelboek, dat in onze vertaling ‘Handelingen van de apostelen’ wordt genoemd. Acts, volgens de Engelse vertaling.
Mensen als u en ik, een mens als jij, die door Jezus in beweging is gekomen, kan daarom niet stil blijven staan of zitten. Maar zal in de kracht van zijn Geest, op weg willen gaan, met zonder Jezus.
Veel Geestkracht daarbij toegewenst!

Voor wie alvast een inkijkje wil hebben in de dienst die dit jaar op Hemelvaartsdag in de Skoattertsjerke wordt gehouden, kijk hier voor de liturgie.



Vasten. Én bidden!

‘Wanneer je de hongerige schenkt wat je zelf nodig hebt en de verdrukte gul onthaalt, dan zal je licht in het donker schijnen, je duisternis wordt als het licht van het middaguur’. Aldus de profeet Jesaja, in hoofdstuk 58, het 10e vers.
Je kunt je voorstellen van dat zou betekenen voor onze samenleving, wanneer wij ons daaraan zouden houden. Dat zou pas écht een revolutie zijn. Maar het lijkt vooralsnog een illusie, een mooie droom, die haaks staat op de werkelijkheid. Voor de kerk echter, voor allen die Gods naam belijden, een gegeven mogelijkheid. De samenleving kán veranderd worden. Maar die verandering moet wel bij onszelf beginnen.

Daarover gaat het in deze tijd van het kerkelijk jaar, veertig dagen van voorbereiding op het feest van Pasen, een periode van vasten én van bidden, maar wat stellen wij ons daarbij voor? Er is een tijd geweest dat Protestanten een beetje allergisch waren voor dat vasten.
Misschien door wat zij er in de praktijk van zagen bij de buren. Verplichte versobering, dat wel, maar of God daar wel altijd mee gediend werd?
De laatste jaren zien wij de interesse groeien voor het vasten. Waar komt dat vandaan?
In de oude kerk werden op deze eerste zondag van de veertig dagen de nieuwe leden, die in de Paasnacht zouden worden gedoopt, alvast aan de gemeente voorgesteld. Daarna volgden dan veertig dagen van voorbereiding, een tijd die zij vooral vastend én biddend doorbrachten, als een soort oefening in Godsvertrouwen. Is dát het, waar het ons in deze periode ook om gaat?

‘Evenals het voor een mens onmogelijk is, om zijn gezicht te zien in troebel water, zo kun je God niet zien, zolang je geest niet is gezuiverd van vreemde gedachten en verlangens’. Aldus één van de kerkvaders, in een toelichting bij de veertig dagen.
Of om nogmaals de profeet Jesaja te citeren, even daarvoor in hetzelfde hoofdstuk 58: ‘Dit is het vasten dat Ík verkies: je brood delen met de hongerige, onderdak bieden aan armen zonder huis, iemand kleden die naakt rondloopt, je bekommeren om je medemensen?
Dan geeft de Heer antwoord als je roept, als je dan om hulp schreeuwt, zegt Hij: hier ben Ik’.

Vasten én bidden dus. Ook volgens de Bijbel is het één niet los te zien van het ander.
Wie God wil zien, moet zijn geest zuiveren van vreemde gedachten en verkeerde verlangens. Matiging van spijs en drank gedurende veertig dagen kan ons daar inderdaad bij helpen. Maar voor veel mensen was en is dat echter de enige essentie van de vastentijd geworden.
En dat staat het hogere doel ervan, namelijk kritisch kijken naar je relatie, je contact met God vooral en de bezinning op je relatie met je medemens, soms in de weg.

Laten we daarom elkaar de maat niet meten over de manier waaróp we invulling geven aan de vastentijd. Of je nou wel of niet uit eten gaat, wel of geen wijntje drinkt of de chipszak wat vaker dichtlaat, die keus is aan jou. Voor de één zal soberheid een goed hulpmiddel zijn, een ander zal de PC of de TV wat vaker uitlaten en weer een ander zal meer ruimte maken in de agenda voor het omzien naar elkaar. Ieder mens is verschillend en ook de omstandigheden van de één zijn niet te vergelijken met die van de ander. Zolang de focus maar gericht is op het ruimte scheppen voor God, ook in jouw eigen leven. Wat ons betreft, op het leerling-zijn van Jezus. Immers, wie Jezus volgt, kan nergens komen waar God niet is.
En is het ons daar uiteindelijk niet om begonnen?

Over Jona en de vreemdelingen

Het verhaal van Jona, in de Bijbel, zet in met Gods bewogenheid met mensen. Bij hen die door hun medemens al waren afgeschreven. Toen was dat de stad Ninevé, de hoofdstad van het wereldrijk Assyrië, Israëls aartsvijand nr. 1, een godvergeten wereld, in de ogen van het vrome volk.
En schijnbaar hadden zij gelijk. Het was inderdaad ten hemelschreiend, wat er zich binnen hun grenzen afspeelde, maar het liet God blijkbaar niet koud. Zoals het Hem ook nú niet koud laat, wat er om ons heen gebeurt. Het grote aantal asielzoekers, de talloze vluchtelingen, mannen en vrouwen, voor de oorlog op de vlucht of die vervolgd worden om hun geloof of gewoon een betere toekomst zoeken voor hun kinderen. Ronduit verschrikkelijk.

Maar ook de haat en het verzet van een toenemend aantal burgers tem opzichte van al die wanhopige vluchtelingen, waarvan verreweg de meesten volledig te goeder trouw, die hier bij ons hun toevlucht zoeken.
En die nu door sommigen onbarmhartig over één kam worden geschoren met een aantal criminelen onder hen, die zich misdragen. Nee, ook dát laat Gd niet koud, de ontwikkelingen in de wereld laten Hem nooit koud.
Volgens de Joodse theoloog Levinas, blijkt uit het Bijbelboek Jona vooral, dat je ergens voor geroepen voelen én je persoonlijke voorkeuren en eigen interesses lang niet altijd hetzelfde zijn. Vaak gaat Gods bewogenheid daar vierkant tegen in.
Nee, de wereld wordt niet vanzelf gered. Daarvoor zijn bewogen mensen nodig.
Ik denk dan ook dat de bekering van Ninevé niet het eigenlijke thema is van dit Bijbelboek, waarover wordt verteld, maar de bekering van een eigenzinnige, onwillige profeet die de bewogenheid van God voor alle mensen nog steeds niet had begrepen.

Geef mij nu je angst…


En ik geef je er hoop voor terug.
Geef mij nu de nacht en ik geef je de morgen terug.


De angst is toegenomen, ook onder ons, na de afschuwelijke aanslagen en de aanhoudende terreurdreiging wereldwijd. En ik kan dat wel begrijpen. Het zál je maar gebeuren. Het kán je dus zomaar gebeuren. Hoe ga je daar in vredesnaam mee om?
De laatste weken komen bij mij steeds weer de woorden naar boven, die Guus Meeuwis ooit zong en die ik hierboven citeerde: Geef mij nu je angst en ik geef je er hoop voor terug. Maar waar is die hoop op gegrond?
Zo niet door hem bedoeld, maar het zouden zomaar woorden uit de Bijbel kunnen zijn? Want, zo getuigt de Bijbel, bv. in Jesaja 2: ‘Eens zal de dag komen dat de berg met de tempel van de HEER rotsvast zal staan. Dan zullen de volken hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal dan nog het zwaard trekken tegen een ander volk. Kom mee, laten wij leven in het licht van de HEER’.

Het is al wéér Advent. Evenals vorig jaar en het jaar daarvoor en daarvoor en daarvoor. Door hoeveel mensen vóór ons is al niet Advent gevierd?
Advent heeft met verwachten te maken, met uitkijken naar, maar waar wachten wij dan op?
Jesaja kijkt uit naar een wereld waarin de Eeuwige het voor het zeggen heeft. God, die geen oorlog wil, geen ziekte en geen pijn. Een wereld waarin de oorlog niet meer wordt geleerd en niemand meer bang hoeft te zijn. Het lijkt te mooi om waar te zijn, maar is het dat ook?
Verwachten is dat we ergens rekening mee houden, ergens op voorbereid zijn. Maar zijn wij dat? Zijn wij wel voldoende op Gods toekomst voorbereid?

Jesaja probeerde met zijn woorden het ontgoochelde volk weer nieuwe hoop te geven. Zoals ook Jezus dat later doet in zijn tijd. Door bv. te wijzen op een boom, in de winter kaal en ogenschijnlijk dood. Maar wie wat beter kijkt, zie al de voorboden van de nieuwe lente.
Zo doen ook wij? Terwijl de natuur aan het kortste eind trekt, de zon steeds langer achter de horizon verdwijnt, roepen wij alvast tegen elkaar dat er iets nieuws staat te gebeuren. Dat Gods koninkrijk komt. En daarom zingen wij liederen van verwachting die daar bij horen en spreken wij woorden van hoop. Natuurlijk, je moet er oog voor hebben. Én geloof, dat is vertrouwen. Gelóófsvertrouwen, dat moet worden gevoed, iedere week, iedere dag opnieuw. Ook daarom vieren wij Advent. Zodat wij met onverwoestbaar optimisme kunnen blijven uitkijken naar Gods nieuwe tijd.
Natuurlijk is het goed te begrijpen dat onze angst wordt gevoed door al die verhalen over die afschuwelijke terreuraanslagen en bedreigingen die het nieuws bepalen. Maar juist dán is zaak om ook onze hoop te blijven voeden. Daartoe roept ook Jesaja ons op. ‘Kom mee, laten wij leven in het licht van de HEER’, is wat hij zegt. Dat maakt je innerlijk sterk. Het helpt je om niet bij de pakken neer te gaan zitten, maar om iedere keer weer en telkens opnieuw de weg te gaan, die ons door Christus wordt gewezen.
Een hele goede, inspirerende en bovenal gezegende Adventstijd wensen wij elkaar toe.